Nederlandse meubelgeschiedenis

Bent u nieuwsgierig hoe oud uw meubel is en waar het vandaan komt. Hier onder staan globaal de tijdperiodes beschreven. Voor een diepgaander onderzoek en geschiedenis beschrijving van uw meubel kunt u contact opnemen. Elke periode heeft eigen kenmerken en de periodes lopen in elkaar over.

Gotiek ca. 1450-1600

De gotiek is geïnspireerd door de architectuur van de grote kathedralen. Er werd voornamelijk met eikenhout gewerkt en de meest kenmerkende versiering is het briefpaneel. De eerste zitkisten en bergkisten werden ontworpen.

Renaissance ca. 1600-1680

De renaissance is een herbeleving van de klassieke oudheid. De Romeinse en Griekse kunst werd herontdekt. Dit is terug te zien in de versieringen en ornamenten aan een meubel. Er ontstaan kasten in deze periode welke vaak van eikenhout zijn gemaakt. De eerste exotische houtsoorten worden geïmporteerd en dit is terug te zien in de gefineerde accenten op een meubel. Kasten hebben een fries, zoals de Romeinse tempels, andere kenmerken zijn bolpoten, meloenpoten en als versieringen cannelures, dit zijn verticale groeven in een zuil. De eerste ebbenhouten accenten verschijnen in de late renaissance..

Barok ca. 1670-1740

De barok heeft drie kenmerken. Beweeglijkheid zoals kussenpanelen en overdadig houtsnijwerk. Contrasten door het aanbrengen van ebben of palissander accenten. En schilderachtige effecten door het meubel te fineren met verschillende houtsoorten in patronen. Alles uitgevoerd in symmetrie. In deze periode ontstaan de kunstkabinetten waar de eigenaar zijn zeldzame voorwerpen kon opbergen. De meubelen werden hoofdzakelijk nog van eikenhout gemaakt waaroverheen gefineerd werd in vele houtsoorten. De meubelen krijgen andere type poten. De balklauwpoot en voluutpoot, een poot met een bocht erin en eindigend in een spiraal. Nieuwe meubelen die ontstaan zijn het kruisvoetkabinet, het klepbureau, een ladekastje en stoelen.

Rococo ca 1740- 1770

Als een reactie op het drukke barok, ontstond de rococo. Belangrijkste kenmerken zijn de asymmetrische C en S vormen. En de kasten krijgen een kuif welke gesneden is. Als fineer is wortelnoten populair en mahonie. De bloemmotieven marqueterie blijft en er komt parqueterie bij. Dit is inlegwerk in geometrische vormen. Meubelen die in deze tijd ontwikkeld worden zijn de chiffonnière ofwel een hoge ladekast, het topbureau, het hoekkabinet en de porseleinkast.

Neo- Classisisme ca 1770-1830

Deze stijl grijpt terug op de klassieke oudheid, Romeinse en Griekse versieringen worden toegepast op het meubilair. Klassieke vazen, tand en blok lijsten, medaillons zien we terug als versieringen. Het meubilair in Nederland heeft zowel Franse als Engelse invloeden. In deze periode ontstaan de blokpoten, jaloeziedeuren en worden er veel verschillende fineersoorten gebruikt. Er ontstaan kastjes en tafeltjes in halve maan vormen en het klepbureau waarbij nu de klep verwerkt is in de kast.

Empire ca 1800-1820

Onder invloed van de Franse bezetting komen de Empire meubelen in Nederland. Het meubilair heeft weinig versieringen. De versieringen die er zijn hebben de Romeinse en Egyptische invloed. De empire meubelen zijn gefineerd, grotendeels met mahonie en bloemmahonie en hebben als afwerklaag politoer. De harde arbeidsintensieve laklaag wordt gemaakt van de schellakluis en alcohol. Kenmerken aan de meubelen zijn kolommen, marmeren bladen sabelpoten aan de stoelen. De nieuwe meubelen die ontstaan zijn de kaptafels, canapé oftewel bank en gueridontafel, vaak met een marmeren blad.

 

Biedermeier ca. 1815-1850

Als reactie op de strakke vormen in het empire ontstaat de biedermeier. Huiselijkheid en comfort staan voorop voor de ontstane middenklasse. Neo- classicistische vormen vinden we ook terug in de biedermeier meubelen. De coulissetafel ontstaat, een uittrektafel waarin meerdere tussenbladen gelegd kunnen worden. Als houtsoort is mahonie nog steeds populair en ook het bloemmahonie vinden we terug in de biedermeier meubelen.

Historisme of neostijlen ca. 1830- 1895

Door veranderingen in de maatschappij, industrialisatie, werd de middenklasse groter. Door het in serie kunnen produceren van meubelen werden deze goedkoper en kon de middenklasse het zich veroorloven om betere meubelen aan te schaffen. De neostijlen ontstonden door de vraag naar meubelen met de rijke uitstraling van de eeuwen ervoor. Hierdoor zien we meubelen met allerlei versieringen met eigen vormen en uitstraling. Deze periode wordt ook wel de lelijke tijd genoemd. Meubelen met zwarte accenten komen in en overdadige versieringen.

Art Nouveau ca. 1895-1914

In Nederland bestaat de Art Nouveau uit 2 stromingen. De versierende en de zakelijke stroming. In de versierende stroming wilde men de wereld verfraaien met sierlijke motieven en elegante vormen. De motieven komen uit de natuur, men gebruikte bloemen, bladeren en dieren. Vertaald naar de meubelkunst werden en exotische houtsoorten gebruikt voor inlegwerk en houtsnijwerk. Ook ivoor en parelmoer werden gebruikt voor inlegwerk, men versierde de meubelen ermee.

In de zakelijke stroming werden simpele ambachtelijke meubelen gemaakt. Versieringen waren ondergeschikt aan het meubel. Eikenhout werd het meest gebruikt.